De Grote Kanarie

Tussen de prei, Brinta en kokosbrood zag hij in de boodschappentas vooral zijn noodlot liggen. Maar hij stelde zichzelf gerust. De vakantiebrochures waren wellicht papieren poorten naar de hel, maar ditmaal ook een mager kansje op geluk. Een sprankje licht aan de horizon waar de wolken nu al anderhalf jaar dreigend aan het samenpakken waren. Mits hij zijn best zou doen om die kans te grijpen, zoals dat nu eenmaal met kansen werkt.

‘Dit gemopper helpt niet’, mompelde Gerrit tegen zichzelf. Onbedoeld iets te hard. De medepassagiers in de bus naar Almere Muziekwijk keken even om.

De brief waarin het hoofdkantoor een half jaar geleden beschreef dat de copyshop in Bunschoten wegens tegenvallende cijfers dichtging, wat vraagtekens zette bij zijn baan als locatiemanager, was de epiloog van zijn tragedie. Een teken dat niets kon blijven zoals het was. Altijd had hij netjes gedaan wat hem was opgedragen. Zeventien jaar lang het geslachtsloos vermenigvuldigen van andermans belangrijke papieren, als een eencellig zeedier, maar die tijd was voorbij. Niet omdat hij nu de moed had gevonden anders te denken, maar omdat hij werd gedwongen anders te doen. De dapperheid kwam later wel, hoopte hij.

Volgzaam als Gerrit was had hij de boodschappen voor zijn zus gehaald: eten en drinken, maar ook ‘voedsel voor de ziel’, zoals zij zou zeggen. Gerrit hield niet van dat soort uitspraken. Hij hield niet van de meeste van haar uitspraken. Toegegeven, hij was haar dankbaar dat ze hem na zijn ontslag in huis had genomen. Jammer vond hij het wel dat hij daardoor niet meer durfde te weigeren, toen ze hem meevroeg op vakantie.

‘Zonvakantie!’, glunderde Gerda toen hij vroeg waarheen die vakantie moest gaan. Het donderde haar verder niet hoe of wat, dus de folders uitzoeken lag volkomen binnen zijn macht.

Gerrit hield van warmte noch zonlicht en zandstranden konden hem evenzogoed gestolen worden, maar deze busrit stond in het teken van een man die het lot naar zijn hand zou zetten. Tegen elke prijs. De vakantie was juist het middel om zijn te lang geaccepteerde gemis en eenzaamheid te verhelpen. Wat met zijn ontslag begon zou nu, via deze reis, uitmonden in een bevrijding. En met passende vastberadenheid trok hij het kaartje van de net gekochte keukenschaar en begon te knippen.

De dikke folder over Gran Canaria liet hij met rust, maar met een grote precisie knipte hij de beste aanbiedingen uit de dunnere folders over Mallorca, Malta en Corsica. Alsof ze er nooit ingezeten hadden. Voor die eilanden bleven alleen de duurdere appartementen over. De snippers en proppen duwde hij in het klein afvalbakje bij de chauffeur.

Weer keken de andere passagiers hem vragend aan.

Maar onverstoord vouwde Gerrit ook wat losse folders over Gran Canaria tussen de pagina’s over de concurrerende eilanden.

**

Niels en Erica tuurden naar de datingshow alsof hun leven ervan afhing. Niels kon niets verweten worden, want die was met acht jaar te jong om überhaupt iets te verwijten. Erica was met dertien slim genoeg om de banaliteit ervan te zien, maar als prepuber viel haar zoveel kwalijk te nemen dat Gerrit het slim vond niet op elke slak een zoutje te leggen.

Gerda wilde expliciet niet dat haar kinderen naar dit soort programma’s keken, maar zij was zelf zo gegrepen door de paradijselijke foto’s in de vakantiefolders dat de eettafel waaraan zij zat in brand zou kunnen staan zonder dat zij het door zou hebben. Mentaal was zij bij elk vakantiepakket al ingepakt, uitgepakt, weer ingepakt en had ze een recensie op Tripadvisor geschreven. Hij herkende Gerda’s blik uit duizenden.

Gerrit ging rustig door met het afspoelen van de pastapan, maar moest zich inhouden niet te vragen naar haar lijn der gedachten.

Hij stelde zichzelf gerust dat zijn voorbereiding voldoende was om haar zelf tot de noodzakelijke conclusie te laten komen.

‘Nou, dat Malta is wel schitterend hoor, Ger. Ongelooflijk!’

Dat viel Gerrit stevig tegen.

‘Ja, wel als je van dor en droog houdt. Maar goed, ieder z’n ding’, zei Gerrit direct beslist.

‘O, oeps, ja’. Gerda legde de folder weer neer.

‘En op Mallorca spreken ze Frans toch? Dat heeft Erica op school, kan ze mooi helpen vertalen.’

Erica zuchtte. Een vakantie waarin ze iedere relatie met haar familie kon ontkennen genoot sterk haar voorkeur.

‘Mallorca?’, vroeg Gerrit verontwaardigd. ‘Kan niet! Crisis hè!’

Dat antwoord was voldoende voor Gerda. Elke vorm van crisis was een geloofwaardige verklaring voor elke teleurstelling. Dingen konden immers vaak niet vanwege een crisis. Overal waren crises in het hoofd van Gerda, behalve in het hoofd van Gerda zelf.

‘En iets met de Canarische Eilanden dan? Ligt dat niet in Marokko?’, vroeg Gerda.

‘Niet ín Marokko, maar ernaast. Het hoort bij Spanje. En bij de EU, dus je kan met euro’s betalen’, stelde Gerrit haar gerust, de valuta van de andere eilanden verzwijgend.

‘Oh en het is een heel gezinsvriendelijk eiland lees ik. Oh én ‘gay friendly’, dus blijkbaar heel tolerant.’

Gerrit twijfelde waarom Gerda die vertaling nodig vond. Maar Gerda profileerde zichzelf graag als tolerant, voor iemand uit Bunschoten.

‘Oh, is dat zo?’ vroeg Gerrit, zo verbaasd mogelijk. Gerda reageerde er niet op.

‘Weet niet hoor. Als ze maar niet te ‘friendly’ zijn daar’. Gerda keek bezorgd naar het roerloos  starend hoofd van Niels. ‘Zo’n mooi blond jongetje trekt veel bekijks daar natuurlijk’. Het mooie blonde jongetje tuurde verder.

‘Homo’s zijn geen pedofielen, Gerda. Dat is toch niet hetzelfde’, verzuchtte Gerrit iets geïrriteerd.

‘Wat weet jij daar ineens van dan?’ vroeg Gerda lichtjes provocerend.

‘Heh? Niks’, zei hij zo verontwaardigd mogelijk. Gerrit schraapte de laatste restjes spaghetti met zijn nagels uit de pan. Hij zag dat Gerda hem aan bleef kijken. Homo’s waren nog altijd een angstaanjagend thema, wist hij. Hij moest snel de sfeer verlichten.

‘Of vind je het gewoon jammer dat er nu zeker weten geen mannen verlekkerd naar jou gaan kijken?’ vroeg Gerrit pesterig.

Gerda reageerde niet. Ze trok haar trui naar beneden, zoals ze dat vaker deed vlak voordat ze beweerde dat de rollen op haar buik door omgekrulde kleding kwamen. Nu zweeg ze.

Erica voelde de pijnlijke stilte keurig aan en fluisterde iets onverstaanbaars.

Gerrit pulkte de etensresten uit het gootsteenputje.

Iets in Gerrits ooghoek deed plots zijn maag omdraaien: betrapt!?

‘Erica, nee, wat doe je!’ brulde hij richting zijn nichtje.

Erica keek geschrokken op van Gerrits iPad, die kinderlijk op haar knieën lag.

‘Ik check m’n Insta’, Gerrit’.

‘Niet doen! Dat is privé, mens!’ snoof hij en hij griste het ding van haar schoot, zoals een kerkuil een weerloos veldmuisje uit het leven klauwt.

‘Maar ik vroeg het toch!’ beet Erica haar oom toe, terwijl ze met haar laatste greintje opstandigheid haar tranen wegduwde en van de bank sprong.

‘Jij reageerde niet. Ik vroeg het. Jij zei niks!’, klonk uit het trapgat.

‘Niet reageren is geen toestemming. Het antwoord is ‘nee’. Nu en altijd’, riep Gerrit haar na.

‘Mamma!’ klonk het nog van boven.

‘Gerrits spullen zijn Gerrits spullen, Eer’ zei Gerda op belerende toon. Even belerend als de blik waarmee ze Gerrit aankeek.

Gerrit wreef door zijn dunne haar en verontschuldigde zich. Hij deed de iPad uit en legde hem bovenop de keukenkastjes.

‘Ik maak het straks goed, oke? Eerst de afwas’.

Niels klemde zich om Gerrits been.

‘Ik vind het heel leuk dat je mee gaat op vakantie, ome Gerrit’ zei hij zonder enige ironie, waarna hij richting eerste verdieping dartelde; zijn zus achterna.

Gerda pakte een theedoek. Een symbolische actie, mogelijk om een gevoel van samenwerking te vergroten, want afdrogen was er zowel voor als nadat de vaatwasser z’n werk had gedaan nauwelijks bij.

‘Waarom heb jij nou nooit kinderen genomen, Ger’?

Gerrit zuchtte.

‘Wat dat de reden dat Tina en jij uit elkaar gingen?’

Gerrit zuchtte weer, maar hij wist dat hij er alleen met zuchten niet meer onderuit kwam.

‘Nee, Gerda. Tina was gewoon…’.

Gerda trok de theedoek tussen haar vingers door en hield haar hoofd schuin, om hiermee begrip te tonen.

‘Tina was niet wat ik zocht. Niet zo ruimdenkend als ik. Niet zo ruimdenkend als ik nodig heb’.

‘You and me both, sister’, citeerde Gerda, vermoedelijk uit een of andere tv-serie.

‘Daarom zijn Johnny en ik ook uit elkaar, denk ik’. Gerrit wist dat dat niet zo was, maar liet het gaan.

‘Wie weet wat we allebei tegenkomen op vakantie’, zei Gerda waarop ze Gerrit een speels duwtje gaf.

Gerrit fronste.

‘Ik wil gewoon dat je gelukkig bent’, stelde Gerda overbodig vast. ‘Je bent de enige broer die ik nog heb. Niet de glazen in de vaatwasser doen, dan worden ze dof’.

‘De enige broer’ galmde in Gerrits hoofd en hij pakte de limonadeglazen uit het rekje. Hij keek er doorheen en zag zijn zus, haar rood geverfde stekeltjes en haar paarse coltrui.

‘Zie je wel, ze worden al dof’, zong Gerda.

Hij was van mening dat hij kraakhelder zag, maar zweeg.

**

Of hij de slaap niet kon vatten of dat de slaap juist hem niet te pakken kreeg was hem niet duidelijk, maar Gerrit maakte van het moment gebruik om meer onderzoek te doen. Bij het blauwe licht van zijn tablet en het bedlampje dat hij van Niels mocht lenen kon hij gelukkig weinig van zijn kamer zien. ‘Logeerkamer’ mocht hij van Gerda niet zeggen, want hij was niet te gast, maar na vijf maanden was dat misschien inderdaad een rare benaming. Toch, de onuitgepakte dozen en koffers ademden nog steeds tijdelijkheid uit en dat beviel hem. De kamer inrichten maakte zijn verblijf te permanent. Hij had slechts een Stallone-poster opgehangen over een klein bronzen kruisbeeld. Het kruis was slechts een kruis, zonder spartelende Jezus, maar hij bleef die in geestesoog zien:  Beentjes over elkaar, armen uitgespreid; als een frêle hippie die in de ringen hangt terwijl hij moet plassen. Alleen de spijkers ontsierden dat beeld. Dan liever Rambo.

De tijden dat Gerrit aan een kruisbeeld hoop ontleende waren bovendien ver achter hem. Natuurlijk, het idee van een alomtegenwoordige nabijheid miste hij, maar dat gat kon geen spichtige Christus vullen.

Het licht van de iPad doofde; hij had te lang niets aangeraakt. Gerrit keek naar zijn reflectie op het scherm. God, wat was hij lelijk. De groeven onder zijn jukbeenderen maakte dat de grijze punten in zijn haar iets beter bij het totaal van zijn gezicht paste, maar verder leek hij in niets op vroeger. Hoewel, de papagaaienneus die zijn familieleden allemaal hadden priemde nog altijd uit zijn saaie gelaat. Gerda verborg deze achter haar rode brilmontuur, hun vader achter een rommelige ringbaard. Alleen George kwam er vroeger goed mee weg. Maar ja, George…

Niet alleen de iPad was te lang niet aangeraakt, dacht Gerrit.

Hij toetste de cijfercode in. Een reclamebanner van twee ingeoliede mannen op een bed doornloze rozen verscheen. Gerrit streelde het scherm en de opzichtige namen van schemerige bars en clubs gleed voort. Gerrit rolde met zijn ogen, maar keek aandachtig naar de foto’s van bezoekers.

‘Hier is het. Daar moet ik zijn. Ik weet het zeker’.

Gerrit rilde. Het vaderloze gezin van Gerda had hem opgezogen als een warme spons, maar ’s nachts lag hij vaker wel dan niet te bibberen. Zeker sinds hij begonnen was aan zijn heimelijke geplot.

Een pop-up verscheen. E-mail van Gerda? Was zij ook nog wakker?

FWD: uw boeking voor Gran Canaria(…)’.

Met dankbaarheid las hij de door zijn zus doorgestuurde mail. Ondanks al haar goede bedoelingen wist hij dat deze vakantie het einde van hun relatie zou betekenen. Maar het zou het waard zijn.

Vaarwel zus, vaarwel neefje, vaarwel nichtje, vaarwel vader.

Gerrit ademde uit, alsof hij dat al weken niet gedaan had. Hij omhelsde ongemerkt zijn dekbed. Sneue eikel, dacht hij snikkend, maar hij stond het zichzelf toe.

**

Gerrit gaf het niet graag toe, maar het eten smaakte hem prima. Al dagen. Het gratis ijsje voor Niels en Erica maakte de maaltijd haast ongeloofwaardig voordelig. Toen de gelooide ober ook nog ongevraagd twee cognacglaasjes vol honingrum produceerde waande Gerrit zich even in het paradijs. Van het huis? Onbeschrijflijk.

Niels was kennelijk ook op weg naar dat paradijs, want ook voor de ijsjes vouwde hij, net als toen zijn vissticks kwamen, routineus zijn handen.

‘Dat hoeft hier niet’, fluisterde Gerda en duwde zijn handen uit elkaar, alsof hij er een lepel vol heroïne mee aan het verwarmen was.

‘Waarom hoeft dat hier dan niet?, vroeg Niels terecht niet begrijpend.

Gerrit begreep het wel degelijk. Onder katholieken was Gerda liever een atheïst. Voor ze het wist was ze anders in gesprek met andere vromen. Andersdenkende vromen. Maar ja, je kunt het kind wel uit Bunschoten weghalen, maar hoe haal je Bunschoten uit het kind? Zelfs al was Niels zelf in Almere geboren.

Gerrit lachte om zichzelf en nipte aan zijn rum. Met zijn zonnebril nog op liet hij zijn witte gleufhoed over zijn ogen vallen, terwijl hij onderuit zakte in zijn stoel.

Niels en Erica holden met het ijsje in hun hand het strand weer op. Tussen de aangebraden bejaarden en getatoeëerde zestienjarigen waren het waarlijk twee bakens van onschuld. Twee blonde engeltjes. Een genetisch wonder dat zij ondanks hun Indonesische vader zo blond waren, maar iemand die Gerda kende verwachtte terecht dat ook haar genen dominant zijn.

Ook Gerda ontging de bonte strandgasten niet.

‘Die mensen zeg’ piepte ze. Langs hun tafeltje liep een bolle kale vijftiger in een bordeauxrood stuk cellofaan, waar je een zwembroek zou verwachten. Hij werd geflankeerd door twee begin-twintigers met slechts een string en elk een lap vitragegordijn over hun ranke borsten.

‘Ik twijfel of ik hoop dat het z’n dochters zijn, of juist niet’, grapte Gerda. Gerrit gniffelde oprecht even mee.

‘Ieder z’n ding, Gerda’.

‘Natuurlijk, maar ik hoef niet ieder z’n ding ook te zien’. Gerrit lachte. Ze was op dreef.

‘Wat moeten die Canarios wel niet van ons toeristen denken? Ik heb gewoon wat meer respect voor hun cultuur’.

Gerrit verslikte zich in het laatste slokje rum, maar het was de opmerking die hem in het verkeerde keelgat schoot. Maar voordat hij commentaar kon geven had Gerda zijn gelijk alweer bewezen. Gerda wenkte de ober om uit te leggen waarom zij dacht dat de rekening niet klopte. Bij elke poging die de ober deed om de bon uit te leggen, wisselend van Engels, naar Frans, naar Duits, zelfs Nederlands, sprak Gerda gewoon steeds harder en langzamer in iets wat doorging voor Engels, alsof de ober infantiel was. De discrepantie bleek voort te komen uit BTW die later bijberekend werd. Gerda was van mening dat dat fooi was. De ober en de Spaanse overheid vonden van niet. Gerda was van mening dat dat niet achteraf vermeld hoorde te worden. Het speet de ober. Hij was slechts de ober.

Dat antwoord stemde Gerda tevree, in haar ogen was hij ook slechts de ober. Ze sloeg haar Javaanse sjaal om haar schouders en ging weer zitten.

‘Respect voor hun cultuur’, mopperde Gerrit.

Dat ze mensen die haar niet begrijpen direct behandelt als kleuters is je reinste beroepsdeformatie, dacht Gerrit. Het probleem van onderwijzers is dat ze beroepsmatig verplicht zijn het altijd beter te weten. Zolang je kinderen wijsmaakt waar Kirgizië ligt en dat het levensreddend kan zijn feilloos het werkwoordelijke gezegde te duiden, is dat prima. Maar dat Gerda als Intern Begeleider ook kinderen en hun ouders vertelde wat er mis was met een kind en met hun leven, maakte Gerrit steevast woedend.

Weer begon hij te rillen, ondanks de achtendertig graden. Hij beet op zijn lip. Hij had niet mee moeten gaan.

Gierend van de lach sloeg Niels zijn natte handen in Gerrits nek. Nog voor hij kon gillen sprong ook Erica boven op hem, haar koude haren in Gerrits gezicht. Nu gilde hij wel.

Erica lachte en liet zich op Gerrits schoot glijden. Dit verraste Gerrit en hij verstarde.

Totaal niet bewust van zijn ongemak rolde Erica de stoel weer uit en trok Niels terug naar zee. Gerda vervolgde haar verhaal over inzichten aangaande de overeenkomsten en verschillen tussen de mediterrane en de Indonesische cultuur, zoals ze al dagen deed.

Dit deed Gerrit eraan herinneren. Hij was hier niet voor hen, niet voor elkaar.

Vanavond zou hij gaan zoeken waarvoor hij gekomen was.

**

Het duurde zeker vier potjes rummikub en twee flessen Orangina voordat Erica en Niels zich gewonnen gaven en gingen slapen. Gerda had nog een glas rosé en een goed gesprek over vroeger nodig. Blijkbaar was hun jeugd iets waar ze niet met veel plezier op terug keek. Dat hadden ze dan toch gemeen. Dit was voor haar een reden om veertien jaar geleden met Johnny naar Almere te verhuizen. Almere was dan natuurlijk weliswaar niet geografisch, maar wel mentaal zo ver mogelijk van Bunschoten verwijderd als menselijk mogelijk was.

‘Maar weet je, pa is misschien zo slecht nog niet’, zei Gerda ineens onaangekondigd.

‘Hij is gewoon al een beetje overleden. Al voordat ma dat deed. Eigenlijk sinds dat George…’

George! Het laatste waar Gerrit het nu over wilde hebben was George. Althans niet met Gerda.

‘Ik denk dat als pa wat makkelijker was geweest, dat George dan ook niet….’

‘Die keus had gemaakt?’, vroeg Gerrit. Zijn verwijtende toon slikte hij in.

‘Ja, die keus.’ Meer had Gerda niet te zeggen. Gerrit ook niet. Dat had ze weer knap geanalyseerd. Kennelijk hadden zij en pa geen keuzes gemaakt.

Gerda dronk haar laatste slok rosé en schuifelde met haar glas naar het kitchenette.

‘Ik ben echt blij dat je mee bent, Gerrit’, fluisterde Gerda. ‘Jij ook, toch?’.

Gerrit keek op zijn horloge. Bijna kwart voor twaalf.

‘Ja hoor. Natuurlijk’. Gerda was haar tanden al aan het poetsen.

Gerrit deed alsof hij druk bezig was de overgebleven twee deciliter rosé op te drinken en wachtte geduldig op het lopen van de kraan. Daarna het gerochel, daarna het kraken van de wc-bril, daarna het doortrekken van de stortbak en daarna de onverklaarbare stilte die Gerda altijd minutenlang liet vallen voordat de badkamerdeur weer open ging. Daarna veerde het bed nog driemaal, eens per drie minuten en daarna klonk er drieëntwintig minuten niets meer.

Nu dronk Gerrit toch de fles leeg, in een teug, zonder glas. De vloeibare moed kon hij wel gebruiken. Als een inbreker ontfutselde hij geruisloos zijn eigen kleren uit zijn eigen koffer. Een net, maar kleurrijk overhemd met een lange broek die hij zelf altijd te strak had gevonden. Voor de badkamerspiegel kamde hij zijn haar naar de rechterzijkant, wat hij nog nooit had gedaan. Ook het paarse hemd met groen borduursel leek plotseling minder vanzelfsprekend dan hij in de winkel vond. Wat gepast was bij dit soort ontmoetingen had hij geen idee van, maar hij wilde wel graag verzorgd voor de dag komen.

Toch vond hij zijn gesluip steeds minder spannend en voelde de stof die zijn testikels onaangenaam tegen elkaar plette vreemd genoeg als huiswerk. Hij wilde niet, maar wilde ook wel. Tegenzin was niet meer relevant: Hij moest, anders was alles voor niets geweest! Hij verzekerde zichzelf ervan dat de bonte kleding eenmaal aangekomen eerder als camouflage zou dienen dan als lokaas.

Gelukkig was hij lelijk.

‘Waar is dat adres?’ siste Gerrit zichzelf toe, in de angst dat hij het had laten slingeren tussen de andere uitgeprinte excursies. Hij vond het gelukkig, weggestopt in zijn nette schoenen. Ook voor het meenemen van zijn herenschoenen had hij een kutsmoes moeten verzinnen. Dat hij moeite had met steunzolen, dat deze speciaal bij de bolling van zijn voet pasten. Maar als hij zonder het gezin naar het eiland was gegaan had hij nog veel meer excuses en verklaringen moeten bedenken. Zeker als hij niet meer terug was gekomen. Zou hij nog terugkomen? Zou hij terug mogen komen?

‘Ga je weg, Gerrit?’ klonk een zangerig zuchtje achter hem.

Hij had geen deur gehoord! Wat nu?

Erica keek hem weinig verbaasd aan, door haar halfdichte ogen. Door haar luchtige en meterslange roze slaapshirt stak zijn kleding nog meer af. Het was nog steeds bloedheet. Zeggen dat hij het koud had was zinloos.

Gerrit zocht de kamer af, naar iets wat een reden was voor zijn verschijning, zijn vertrek, of iets waar hij Erica de schuld van kon geven om haar af te leiden.

‘Ga maar hoor, Gerrit. Ik begrijp het wel’, stelde ze hem gerust.

Gerrit was met stomheid geslagen. Dat ze wist waar hij heen ging hield hij voor onmogelijk, maar dat ze hem begreep leek boven elke twijfel verheven.

‘Je mag zijn wie je wilt zijn, weet je’, geeuwde ze. Zou ze door hebben waar ik heenga, vroeg Gerrit zich af.

Onmogelijk, wist Gerrit.

Hij kuste haar op haar voorhoofd.

‘Ga maar weer slapen’.

**

‘Secret Scandals!’ prijkte er in neon boven de gevel, inclusief het uitroepteken. Maar uitroeptekens waren volslagen overbodig om de aandacht te vragen. De ingang lag onderaan een trap die de kelder van het winkelcentrum in ging. De rij stond tot halverwege de treden. Een bont gezelschap van mensen in lakleer, naaldhakken en met boa’s om. De mannen dan. De vrouwen meestal in weinig meer dan een bikini. Het dragen van maskers was niet verplicht, maar duidelijk populairder dan ondergoed.

Gerrit knikte en lachte vriendelijk naar iedereen, maar hield gepaste afstand. Er was hier maar één iemand waarvoor hij kwam. Maar eenmaal binnen was die in geen velden of wegen te bekennen.

‘And now ladies and gentle-friends, the person you’ve all been waiting for’, de overjarige aankondigster benadrukte ‘person’.

‘The magnificent Grand Canary!’

Gerrit gaf het op. Hij liep naar de bar en bestelde een biertje. Het viel hem ergens tegen dat ze het hadden. Stijlbreuk?

Vanaf het podium klonk iets wat leek op Frank Sinatra’s ‘My Way’. Gezongen in slecht Engels, voor een club vol Duitsers, op Spaans grondgebied, voor de kust van Marokko.

Niets paste hier bij elkaar en niemand was herkenbaar. Gerrit zag hem nergens. Wat een tegenvaller, al dat werk voor niets. Gerrit dronk zijn bier zonder smaak.

Maar toen raakte iets ineens aan zijn herinnering. De stem!

Vanuit de coulissen kwam de zanger, alsof hij over water liep. Fel roze lippenstift, met een lange blauwe rok die uit zeven uitgebeende pauwen leek te bestaan. Zijn glimmende borstkas was slechts bedekt met een glitterende bolero. Uit de rok hing de kop van een paradijsvogel, compleet met lange nek, als feestelijk omhulsel voor zijn geslacht; The Grand Canary. Naar mate het lied vorderde aaiden stamgasten The Grand Canary over zijn kop, waarop deze steeds meer naar de hemel keek.

De eerste instinctieve, misschien wel aangeleerde, walging maakte al gauw klaar voor een warmte die geen zonlicht ooit bij Gerrit had veroorzaakt. Zelfs niet op dit eiland. De zoute tranen smaakten als suikerwater toen ze eenmaal Gerrits open mond bereikten. Iets in hem bonsde en trilde, wat alleen maar zijn hart zou kunnen zijn. Zijn hart. Hij had het nog!

Een uur later vond Gerrit zich met drie andere zwetende mannen voor de kleedkamers. In tegenstelling tot de anderen had hij geen pen met handtekeningen, schrift of camera bij zich.

Gerrit klopte op de deur, net onder ‘Georgio’, geschreven op een stuk witte tape. De zwetende mannen gniffelden en schuifelden ook dichter naar de deur.

Gerrit klopte nog eens.

‘Schiet eens op man!’

De deur zwaaide open. De zanger had de klink in zijn ene hand en de Grand Canary in de andere. Zijn rok en bolero waren verruild voor een badjas.

‘Waat doe joe waaaaant’ bulderde de zanger knipperend.

‘George?’, zei Gerrit

‘Broertje?’ zei zanger George. ‘Wat doe jij hier?’

Zonder te antwoorden viel Gerrit hem in de armen. De zwetende mannen zagen hun kans schoon en maakten er een groepsknuffel van. George duwde en wuifde ze weg, zoals een ander een krolse kat weg zou sturen.

‘Ksssss! Sjoe!’

Gerrit bleef staan, glimlachend met zijn handen tevreden in zijn middel.

‘Goed, oke. Hoe is het met pa? En ma? En Gerda?’, vroeg George ongemakkelijk.

‘Miserabel, dood, getrouwd en kinderen gebaard en vervolgens gescheiden van een overspelige Indo’, zei Gerrit droogjes. ‘Respectievelijk dan’.

‘Goh. En nu?’ zei George.

‘Als ze wisten dat ik je opgezocht had zouden ze ook nooit meer met mij praten’. Gerrit keek glimlachend naar zijn broer.

‘Waarschijnlijk zullen ze dat inderdaad nooit meer doen’, zei Gerrit trots.

George knikte.

‘Misschien. En nu?’, herhaalde George.

Gerrit streek door zijn haar. Hij haalde zijn schouders op.

 

  • Bram Koedam (2016)